Het handschrift

INLEIDING

Het Utrechts Psalter wordt zo genoemd omdat het handschrift zich sinds 1716 in de Universiteitsbibliotheek van Utrecht bevindt. Over wanneer en waar het werd geproduceerd bestaat nog enige onzekerheid. Maar een ontstaan in het tweede kwart van de negende eeuw te Reims of het nabijgelegen klooster Hautvillers wordt door de meeste experts wel geaccepteerd. Het Utrechts Psalter geldt als het hoogtepunt van de zogenaamde Reimse school van handschriftendecoratie, die ook in die periode wordt gedateerd.

Het Utrechts Psalter is niet een typisch karolingisch handschrift. Alle kenmerken van het Utrechts Psalter komen afzonderlijk wel voor in andere handschriften, maar er zijn geen andere overgeleverde handschriften waarin ze ook allemaal tegelijkertijd worden gecombineerd. Deze kenmerken kunnen we onderverdelen in fysieke eigenschappen (materiaal, afmetingen, opbouw), de lay-out, het schrift (lettertypes) en de decoratie (tekeningen).

KALFSHUID

De 92 bladen van het Utrechts Psalter zijn gemaakt van geprepareerde kalfshuid, wat in het Engels vellum wordt genoemd en in het Frans vélin, van het Latijnse vitulinum (van vitula, ‘kalf’). Het Nederlandse equivalent velijn is echter nauwelijks gangbaar en wordt ook gebruikt voor een bepaald soort glad papier. De term perkament is beter bekend, al wordt die weer specifiek gebruikt voor geprepareerde schapenhuid, waar ook op geschreven kon worden. Dit prepareren werd gedaan via een arbeidsintensief proces van ontharen, bevochtigen, oprekken en opschuren.

De kwaliteit van het perkament van het Utrechts Psalter is uitzonderlijk hoog. Dit is met het blote oog al te zien – al is het perkament in de afgelopen ruim 1000 jaar wel verkleurd van crèmewit naar lichtbruin – en werd bevestigd door drie monsters die in september 2013 werden genomen, zonder daarbij het perkament zelf te beschadigen. Onderzoek van Sarah Fiddyment (Universiteit van York) naar de collageenmoleculen in het perkament toonde aan dat de beschadigingen door slechte preparatie zo gering zijn dat het bijna niet beter vervaardigd had kunnen zijn.

Het vakmanschap van de perkamentmakers blijkt ook uit het feit dat het verschil tussen de haarzijde en de vleeszijde van het perkament nauwelijks te zien is. Dit zien we normaal gesproken vooral bij insulaire handschriften uit deze periode. Dit wil niet zeggen dat het psalter ook door mensen uit de Britse eilanden is vervaardigd, maar het toont wel aan dat de hoogst gangbare standaarden die in die tijd golden op het perkament van het Utrechts Psalter van toepassing waren.

AFMETINGEN

De bladen van het Utrechts Psalter meten 328-332 x 254-259 mm. De verschillen zijn te wijten aan het feit dat het handschrift opnieuw is ingebonden èn bijgesneden toen het in het bezit was van Robert Cotton, in het begin van de zeventiende eeuw. Cotton liet twaalf bladen van een iets kleiner achtste-eeuws evangelie bij het psalter inbinden, en de binder schaafde daarna de drie buitenste randen van de bladen van het psalter bij. Naar de schatting van Koert van der Horst (1996, 25) haalde hij 23 mm van zowel de bovenkant als de onderkant van de bladen af, en 50 mm van de zijkant. Hierdoor konden de bladen op de snede en de korte kanten ook worden verguld, naar de mode in die tijd.

Het bijsnijden ging wel ten koste van sommige letters en tekeningen, die zo ook werden afgesneden. Dit is bijvoorbeeld goed te zien bij de handtekening van Cotton op fol. 1r, de hoofdletter M op 27v, C op 83v en Q op 90v; de gesnoeide bomen op 23r en 24r; en de door de binder zelf aangebrachte katernsignaturen, zoals de ‘3’ onderaan 10r. De originele afmetingen van een blad zullen rond de 38,5 x 31 cm zijn geweest. Hiermee is het Utrechts Psalter een van de grotere handschriften uit de vroege karolingische periode, al kan het niet tippen aan de buitencategorie waartoe bijvoorbeeld de Vivian Bijbel (Tours, 845-6) met zijn 49,5 x 34,5 cm behoort.

KATERNEN

Voor de 92 folio’s van het Utrechts Psalter waren 23 kalfshuiden nodig, vooropgesteld dat er van iedere huid vier bladen gemaakt konden worden. Dit werd gedaan door de geprepareerde dunne en soepele huid eenmaal over de lengte en eenmaal over de breedte te vouwen. Daarin werd een andere huid, op eenzelfde manier gevouwen, ingeschoven. Nadat de randen waren bijgesneden en de vouwen opengesneden, had je een verzameling van vier dubbelbladen, waarbij ieder dubbelblad bestaat uit twee bladen die in het midden aan elkaar verbonden zijn. Dit wordt een katern (Latijns quaternio, Engels quire, Frans cahier) genoemd.

Het Utrechts Psalter bestaat uit elf van dergelijke katernen van acht bladen (zestien bladzijden), het gedeelte van fol. 2 tot en met 89. Folio 1 is een apart blad waarop aan de versozijde de tekening van psalm 1 staat, dat voor de stevigheid om het eerste katern is gevouwen. Fol. 90-91 zijn gemaakt uit één dubbelblad, en daaromheen gevouwen is het blanco blad fol. 92. In formule: IV (f. 2-9)+1 (f. 1), 10IV (f. 10-89), I+1 (f. 90-92). De bladen zijn in ieder geval vóór 1873 met potlood genummerd aan de binnenkant van elk blad onderaan de recto zijde. De wat oudere foliëring aan de buitenkant van elk blad onderaan de recto zijde is daarmee overbodig geworden.

HAAR- EN VLEESZIJDE

In het Utrechts Psalter is zoals gezegd het verschil tussen de haarzijde en de vleeszijde van het perkament nauwelijks zichtbaar. Bij een wat slechtere kwaliteit heeft de haarzijde vaak gespikkelde kanten van de haarinplanten van het beest, en is het wat donkerder van kleur. Katernen werden in het karolingische rijk normaal gesproken zo gevouwen dat bij het openleggen van een boek een vleeszijde tegenover een vleeszijde zat, en een haarzijde tegenover een haarzijde, zodat er een egale bladspiegel ontstond. Elk katern werd zo gevouwen dat het begon en eindigde met een vleeszijde. In het West-Romeinse keizerrijk en later in de insulaire traditie werd ieder katern juist begonnen met een haarzijde, al waren de Ieren zo bedreven in het maken van perkament dat ze ook haarzijde bij vleeszijde lieten aansluiten; het verschil was toch nauwelijks te zien.

Het Utrechts Psalter laat beide gewoontes zien. Het eerste los ingebonden blad begint met een vleeszijde en eindigt met een haarzijde. Daarna volgen twaalf katernen die beginnen en eindigen met: VHVHHHVVVVVV; het laatste blad, fol. 92, begint met H. Al met al kan je wellicht stellen dat het eerste gedeelte van het handschrift de insulaire praktijk volgt, het tweede gedeelte de karolingische. Diegenen die de bladen ordenden voor gebruik waren zich van een dergelijk onderscheid waarschijnlijk niet bewust, maar het kan erop duiden dat er meerdere personen bij betrokken waren. Er waren in ieder geval twee scribenten bij het schrijven van de psalmteksten betrokken, en maar liefst acht tekenaars. Het wekt de indruk dat het Utrechts Psalter uit een scriptorium stamt waar handschriften regelmatig in teamverband werden geproduceerd.

PRIKKEN EN UITLIJNEN

Voordat de dubbelbladen (bifolia) werden gevouwen om zo de katernen samen te stellen, waren er al met een passer of een scherp mes gaatjes in het perkament aangebracht om zo het tekstblok uit te kunnen lijnen. Dat prikken ging door meerdere dubbelbladen, om zo een zo uniform mogelijk geheel te krijgen. In het Utrechts Psalter zijn er geen prikgaatjes meer te bekennen, deze waren waarschijnlijk in de buitenste marges aangebracht en zijn bij de vervaardiging van het handschrift of bij het bijsnijden van de bladen ten tijde van Robert Cotton (zie hfst. 11) verdwenen. Er zijn geen gaatjes in de binnenmarge, omdat bij een ongevouwen dubbelblad alle nodige horizontale lijnen in één keer over werden getrokken, hetgeen in die periode de normale praktijk was.

LAY-OUT

Het uitlijnen gebeurde met een metalen pennetje met een bol uiteinde, zodat er blinde lijnen ontstonden die aan de ene kant van het perkament een gootje maakten en aande andere kant opbolden. Er werden drie kolommen van elk 64 mm breed en 244 mm lang getrokken, met daartussen steeds 15 mm tussenruimte. Binnen een kolom werd om de 3,8 mm een horizontale lijn getrokken, zodat er in totaal 64 lijnen waren om op te schrijven. Beginletters van de psalmverzen werden buiten de kolommen aangebracht. De schrijflijnen werden ook getrokken waar, voorafgaand aan elke psalm en cantica, een illustratie werd getekend. De enige uitzondering is fol. 1, waar de illustratie van psalm 1 de hele versozijde beslaat. De regel dat de illustratie aan de psalmtekst voorafgaat kan door de lengte van de psalmteksten tot gevolg hebben dat de tekening onderaan een rectozijde staat terwijl de tekst pas op de versozijde begint (fol. 8r, 9r, 11r, 12r, enz.). Dit komt in het totaal twintig keer voor. Het levert een enkele keer ook een wat ongemakkelijke overgang op met grote stukken blanco, zoals bij fol. 41r, 44v en 47v.

De grootte van de tekeningen kan ook aanzienlijk verschillen. Gemiddeld meten ze tussen de 70 en 120 mm, en waar er slechts 55 tot 60 mm ruimte beschikbaar was (zoals bij psalmen 122-127, fol. 72v-73v) zien we dat de tekeningen gedeeltelijk door de tekstvelden boven en onder doorlopen. De grootste illustratie (afgezien van psalm 1 op 1r) meet ca. 155 mm (psalm 12, 7r). De moeilijke afstemming tussen tekstblokken en ruimte voor de tekeningen werd per katern gedaan. Desondanks zijn er verschillende afwijkingen en fouten te vinden, wat impliceert dat men niet met een al bestaande lay-out werkte.

BAND

De originele band van het Utrechts Psalter is verloren gegaan, en het handschrift is opnieuw ingebonden in Canterbury (zie hst. 10) en door Robert Cotton (zie hfst. 11). In 1977 werd het handschrift gerestaureerd door zuster Lucie M. Gimbrère van de Onze Lieve Vrouwe Abdij te Oosterhout. Zij restaureerde de band en het perkament (sommige bladen waren gevouwen of gescheurd), en maakte het geheel schoon. Haar restauratierapport en foto’s tonen aan dat vooral de band in een vrij slechte staat verkeerde. Bij de restauratie noteerde zij ook de naaigaten die stammen uit de tijd voordat Cotton het psalter samen met een evangeliefragment uit Northumbrië opnieuw liet inbinden, waarbij het boekblok werd vastgenaaid op vijf enkele leren ribben. Het gehele handschrift weegt nu iets meer dan 2,5 kg.

Verder lezen

Dit hoofdstuk is voor het grootste gedeelte een samenvatting van Koert van der Horst, ‘The Utrecht Psalter: picturing the psalms of David’, in The Utrecht Psalter in medieval art: picturing the psalms of David, eds. K. van der Horst, W. Noel & W. C. M. Wüstefeld (’t Goy 1996), p. 22-84, vooral p. 25-27 en 40-43.