Robert Cotton

Het is niet bekend wat er gebeurde met het Utrechts Psalter na de twaalfde eeuw, wanneer het meegenomen werd uit Canterbury en hoe het in handen kwam van de beroemde boekverzamelaar Robert Cotton (1570-1631). Cotton behoorde tot de lage landadel, zijn familie woonde in Huntingdonshire. Hij bezocht de Westminster School waar hij een leerling was van de antiquaar William Camden (1551-1623). Dit wakkerde zijn belangstelling voor geschiedenis, antiquiteiten en boeken aan. Hij was ook een van de eerste leden van de Elizabethan Society of Antiquaries en zou later met Camden op excursie gaan, helemaal tot de Muur van Hadrianus. Voor en na de dood van koningin Elizabeth, die overleed in 1603, toonde Cotton zichzelf een trouw aanhanger van de Schotse koning James en diens aanspraken op de troon. Hij beweerde zelfs dat hij van Schotse afkomst was en begon documenten te ondertekenen als Robert Bruce Cotton, naar Robert de Bruce, de middeleeuwse Schotse monarch die hij als een van zijn voorouders beschouwde. Hij werd geridderd door de koning en verwierf de titel van baron van Conington.

Handschriften verzamelen

Robert Cotton begon al vanaf ten minste1588 middeleeuwse handschriften te verzamelen. In 1599 verkreeg hij de Vespasian Psalter, een verlucht Angelsaksisch handschrift uit ongeveer 750 dat waarschijnlijk vervaardigd was in Canterbury. Hij plaatste het in zijn bibliotheek van zijn huis in Blackfriars in Londen. In 1621 werd er een begin gemaakt met de min of meer systematische ontsluiting van Cottons bibliotheek. De inventaris van de nog steeds groeiende collectie werd opgetekend in een manuscript dat zich nu in de British Library in Londen bevindt, Harley 6018. Op 146 foliobladen zijn de nummers 1 tot en met 413 vastgelegd, door verschillende handen geschreven en gedurende een aantal jaren. Op folio 98r is nummer 207 toegevoegd in potlood:

Psalmi Davidis Latine literis Romanis (que in usu circa imperii inclinatis tempora) exarati, iisque maiusculis, cum schematis non impari vetustate passim intertextis.

De psalmen van David in het Latijn, geschreven in Romeinse letters (die in gebruik waren rond de ondergang van het keizerrijk) en deze in hoofdletters, met oude onopgesmukte tekeningen, er steeds tussen.

Dit is de oudste overgebleven verwijzing naar het Utrechts Psalter en laat zien dat men in de veronderstelling verkeerde dat het behoorde tot de periode van het Laat-Romeinse Rijk.

Van Canterbury naar Londen

Waarschijnlijk kwam het Utrechts Psalter ergens na de opheffing van Christ Church Abbey in 1539 in handen van verzamelaars. Als dat het geval is, verwierf Cotton het zonder of slechts met een paar tussenpersonen, want hij liet het eerst samen binden met een charter van koning Hlotar van Kent voor de Benedictijner Abdij van Reculver uit 679, zoals in de inhoudsopgave in het handschrift zelf staat geschreven. Reculver werd later opgeëist door de aartsbisschoppen van Canterbury, aan wie het uiteindelijk werd gegeven door koning Eadred in 949. Het charter is dus een duidelijke link tussen het Utrechts Psalter en Canterbury, en het is waarschijnlijk dat Cotton het Utrechts Psalter en het charter vanuit dezelfde bron verwierf.

Bij de binder

Bij de binder werden de randen van het Utrechts Psalter bijgesneden, maar daarna liet Cotton het charter verwijderen. Hij bewaarde het apart in een map die later het plaatsingsnummer Augustus II kreeg (het Reculver-charter is nummer 2.) De rest van het Utrechts Psalter, samen met fragmenten van een evangelieboek uit Northumbrië (zie hfst. 12) werd gebonden in marokijnleer met Cottons eigen vergulde wapen erop. Verscheidene andere handschriften, voornamelijk de kostbaarste, werden op een soortgelijke manier ingebonden.

Keizer Valentinianus

Robert Cotton schreef ook zijn handtekening op een van de schutbladen. De inhoudsopgave is door een andere hand geschreven, wat alleen gebeurde waar het Cottons belangrijkste handschriften betrof.  De persoon erachter is onbekend gebleven, zodat er naar verwezen wordt als de ‘gestileerde hand’ (stylized hand). Na een opsomming van de inhoud van het psalter voegt de onbekende schrijver eraan toe dat de figuren allemaal geïllustreerd zijn op de Romeinse manier (Romano habitu) en dat ze dateren uit de tijd van keizer Valentinianus. Het Utrechts Psalter bevat de Gallicaanse versie van de Vulgaatvertaling van de psalmen, gemaakt door Hieronymus in de jaren 380 op verzoek van paus Damasus, dus we kunnen ervan uitgaan dat de schrijver Valentinianus III (keizer van 425-55) in gedachten had. Hij noteerde ook de signatuur Claudius C.7. Deze notities werden waarschijnlijk gemaakt in de late jaren 1620, nadat het Utrechts Psalter geleend en terug gegeven was door James Ussher (1581-1656).

James Ussher leent het Utrecht Psalter

Ussher doceerde theologie aan Trinity College, Dublin, waar hij ook vice-rector werd. In 1621 werd hij bisschop van Meath, maar hij verbleef vaak in Engeland voor studiedoeleinden. Op 12 juli 1625, een paar maanden nadat hij was voorgedragen als de nieuwe aartsbisschop van Armagh en aartsbisschop van heel Ierland, schreef Ussher een brief naar Cotton waarin hij zegt dat hij een aantal boeken van hem had ontvangen, waaronder vier oude psalters. Een daarvan is zeker de Vespasian Psalter, de andere drie worden simpelweg Gallicaanse psalters genoemd. In een van Usshers notitieboekjes (Oxford, Bodleian Library, Ms Add. A. 91) vinden we een meer gedetailleerde beschrijving van de psalters in kwestie. Er is een psalter bij waarvan Ussher denkt dat het het oudste exemplaar is dat hij kent, geschreven in hoofdletters van voor duizend jaar geleden. Hij noteert dat iedere psalm versierd is ‘door hele oude tekeningen op een waarachtig Romeinse wijze’  (pictura antiquissima et vere Romana expression). Dit handschrift moet wel het Utrechts Psalter zijn. Het is zeker dat Ussher de inhoud van het Utrechts Psalter tot op zekere hoogte in detail bestudeerde, maar hij zou zijn bevindingen pas in 1647 publiceren en tegen die tijd werd gedacht dat het handschrift verloren was gegaan (zie hfst. 13).

Een verdachte bibliotheek

Rond deze tijd werd Cottons bibliotheek naar een huis verhuisd, vanaf dat moment Cotton House genoemd, dat een onderdeel was van het paleis van Westminster. Veel geleerden en edelen leenden boeken en handschriften uit de bibliotheek, wat de reputatie van Cotton veel goed deed. Zo kreeg hij de gelegenheid om zijn wetenschappelijk en bestuurlijk netwerk uit te breiden en te adviseren op vele gebieden, al dan niet politiek. Toch werden documenten uit zijn bibliotheek ook gebruikt om de positie van James’ favoriete hoveling, Charles Villiers, graaf van Buckingham, te ondergraven. Dat leverde hem een gevaarlijke vijand op. In 1625 werd James opgevolgd door zijn zoon Charles. Buckingham werd nu oppermachtig en beheerste in de praktijk de Engelse politiek. Binnen het jaar werd een van zijn grootste rivalen, Thomas Howard (1585-1646), graaf van Arundel, twee jaar lang opgesloten in de Tower. Arundel was een enthousiaste kunstverzamelaar, vooral van schilderijen en tekeningen van oude en moderne meesters. Hij was een goede vriend en beschermheer van Cotton geworden. Zelfs tijdens zijn gevangenschap bleef hij boeken uit diens bibliotheek lenen.

Politieke wedijver

In eerste instantie mocht Cotton zich blijven verheugen in de gunst van de koning en de publicatie van Short view of the long life and reign of King Henry the Third en van The dangers wherein the kingdom now standeth, and the remedye een jaar later in 1627 laat zien dat hij een poging deed de politieke crises van die tijd te bezweren. Hij drong er bij de koning op aan het parlement bijeen te roepen om hun advies niet in de wind te slaan en om kliekvorming tegen te gaan. Dit pleidooi werd goed ontvangen door het hof: Arundel werd vrijgelaten en het parlement werd bijeengeroepen. Maar in augustus 1628 werd Buckingham vermoord door een misnoegde officier en later in 1629 sloegen aanhangers van Villiers terug door Cotton ervan te beschuldigen dat hij een pamflet liet rondgaan waarin hij absolute monarchie propageerde. Cotton stond hier nauwelijks achter en hij was zeker niet de auteur van het geschrift. Het pamflet was in feite gebaseerd op een oud document dat Cotton aan een andere man had geleend om over te schrijven. Cotton beweerde dat hij hier niets van wist en ook niet van het kopiëren van de tekst. Hij werd al snel vrijgelaten, maar zijn bibliotheek bleef gesloten en sommige documenten werden in beslag genomen. De plek werd nog steeds beschouwd als een bewaarplaats van bronnen die anti-royalistische sentimenten konden voeden.

De graaf van Arundel leent handschriften

Waarschijnlijk in dit licht moeten we het lenen van zeven boeken uit Cottons bibliotheek door Arundel in het begin van 1630 beschouwen. Vijf ervan had hij al eerder geleend en de inhoud van de teksten zegt iets over de interesses van Arundel zelf, zoals het ambt van koninklijke maarschalk (dat Arundel destijds bekleedde), ridderordes (Rubens schilderde hem met de ordetekens van de Orde van de Kousenband), reizen, de kroning van Henry III en het rijk onder de heerschappij van koningin Elizabeth. Een buitenbeentje is de verluchte Lovell Lectionary uit het begin van de vijftiende eeuw. De andere twee handschriften worden als eerste genoemd op de lijst, in soortgelijke beschrijvingen:

  1. An auncient coppie of Genesis in Greeke in capitall letters and pictures, bound in redd lether with Sir Robert Cottons armes.  fol. (‘Een oud exemplaar van Genesis in het Grieks in hoofdletters en met afbeeldingen, gebonden in rood leer met het familiewapen van Sir Robert Cotton. folio’)
  2. An auncient coppie of the Psalms. Literis maiusculis, in Latin, and pictures. Bound in redd lether with Sir Robert Cottons armes.  fol. (‘Een oud exemplaar van de psalmen. Hoofdletters, in Latijn en met afbeeldingen. Gebonden in rood leer met  het familiewapen van Sir Robert Cotton. folio’)

De eerste is de Cotton Genesis, (nu Londen, British Library, Cotton Otho B 4).  In de catalogus van Cottons bibliotheek uit 1621 is het beschreven als:

Genesis grece literis maiusculis et ornatur figuris Romanorum habitum pretendentibus. Liber quondam divi Originis.

Genesis in Griekse hoofdletters en versierd met figuren, ogenschijnlijk op de Romeinse manier. Een boek dat ooit behoorde tot de heilige Origenes.

Hij was klaarblijkelijk zo overtuigd van de datering dat hij Cornelius Janssen in 1625 de opdracht gaf om hem te portretteren terwijl hij het handschrift vasthield. De inscriptie op het schilderij dateert het op circa annum Domini CC, en voegt eraan toe dat het handschrift van Origenes was geweest (d. 253/254), maar zich nu in Cottons bibliotheek bevond. Cotton zelf vertelde dat de twee Griekse bisschoppen die het handschrift aan Henry VIII hadden gegeven, beweerden dat het Origenes had toebehoord.

De oudste handschriften in de collectie

De Cotton Genesis wordt nu gedateerd in de late vijfde eeuw en we weten dat het een aantal eeuwen in Venetië was voordat het door een Engelsman naar Engeland werd meegenomen. Toch is het duidelijk dat Cotton het beschouwde als een van de oudste van zijn gedecoreerde manuscripten. Ongetwijfeld kwam het Utrechts Psalter op de tweede plaats, hoewel de datering er hier nog verder naast zat. Daarom is het nauwelijks toeval te noemen dat de twee achtereenvolgens genoemd worden in de lijst van handschriften die Arundel leende na de sluiting van de bibliotheek en Cottons toekomst er verre van rooskleurig uitzag. Er wordt beweerd dat Cotton het Genesis handschrift aan Arundel leende om het te onttrekken aan zijn in beslag genomen bibliotheek. Als dat zo is, moet hetzelfde gegolden hebben voor het Utrechts Psalter. Men kan zich voorstellen dat deze twee, op grond van hun leeftijd, versieringen en staat, werden gezien als de meest eerbiedwaardige handschriften uit de hele collectie en dat Cotton ze aan zijn goede vriend Arundel toevertrouwde om ze veilig te stellen in deze roerige tijden. Arundel was geïnteresseerd in de klassieke kunst, maar niet speciaal in handschriften uit die periode, zelfs al had hij een aantal oude exemplaren in zijn eigen collectie.

Geleend of gestolen?

In de loop van 1630 kwam Arundel weer in de gunst van de koning, maar Cottons bibliotheek bleef gesloten tot aan het onderzoek van een commissie. Eind november viel het  oordeel gunstig uit voor Cotton en werd hij weer in genade aangenomen bij de koning. Maar het was te laat: door alle ellende was Cotton ziek geworden en in mei 1631 overleed hij. Het lijkt erop dat Arundel nooit de Cotton Genesis en het Utrechts Psalter heeft teruggegeven aan de bibliotheek (en wellicht geldt dat voor meer handschriften). Ook al is er geen hard bewijs, toch zijn wetenschappers het erover eens dat Arundel ze in zijn bezit hield toen hij naar het continent vertrok in 1642 (zie hfst. 13). Afgezien van een verblijf van drie maanden in Londen in 1873 (zie hfst. 15), zou het Utrechts Psalter nooit meer terugkeren in Engeland.

Verder lezen

Dit hoofdstuk is voor het grootste gedeelte gebaseerd op:

Bart Jaski, ‘The oldest datings of the Utrecht Psalter: rudimentary palaeography in the early seventeenth century’, Quaerendo 45 (2015), pp. 125-143.

Zie ook:

Katherine Birkwood, ‘“Our learned primate” and that “rare treasurie”: James Ussher’s use of Sir Robert Cotton’s manuscript library, c. 1603-1655’, in: Library & Information History 26 no. 1 (2010), pp. 33-42.

Michelle P. Brown, ‘Sir Robert Cotton, collector and connoisseur’, in: Illuminating the book: makers and interpreters. Essays in Honour of Janet Backhouse, eds. Michelle P. Brown & Scot McKendrick (Londen 1998), pp. 281-298.

R. Buick Knox, James Ussher, archbishop of Armagh (Cardiff 1967).

James Carley, ‘Thomas Wakefield, Robert Wakefield and the Cotton Genesis’, Transactions of the Cambridge Bibliographical Society 12 no. 3 (2002), pp. 246-265.

Mary F. S. Hervey, The life, correspondence and collections of Thomas Howard, Earl of Arundel (Cambridge 1921; repr. New York 1969).

Koert van der Horst, ‘The Utrecht Psalter: picturing the psalms of David’, in The Utrecht Psalter in medieval art: picturing the psalms of David, eds. K. van der Horst, W. Noel & W. C. M. Wüstefeld (’t Goy 1996), pp. 22-84.

Koert van der Horst & Jacobus H. A. Engelbregt, Utrecht Psalter. Vollständige Faksimile-Ausgabe  […]: Kommentar (Graz 1984).

Kevin Sharpe, Sir Robert Cotton, 1586-1631: history and politics in early modern England (Oxford 1979).

Colin G. C. Tite, ‘The early catalogues of the Cottonian Library’, British Library Journal 6 (1980), pp. 144-157.

Colin G. C. Tite, The manuscript library of Sir Robert Cotton. The Panizzi Lectures 1993 (Londen 1994).

Colin G. C. Tite, ‘“Lost or stolen or strayed”: a survey of manuscripts formerly in the Cotton Library’, in: Sir Robert Cotton as collector. Essays on an early Stuart courtier and his legacy, ed. C. J. Wright (Londen 1997), pp. 262-306.

Colin G. C. Tite, The early records of Sir Robert Cotton's library: formation, cataloguing, use (Londen 2003).

Kurt Weitzmann & Herbert L. Kessler, The Cotton Genesis. The illustrations in the manuscripts of the Septuagint 1 (Princeton 1986).