Van Londen naar Utrecht

Na de dood van Robert Cotton in 1631 bleef Thomas Howard, de 21ste Graaf (Earl) van Arundel (1586-1646) in het bezit van het Utrechts Psalter, de Cotton Genesis en waarschijnlijk andere handschriften die hij eerder van Cotton had geleend (zie hfst. 11). Het is vrij lastig om na te gaan wat er daarna precies met het psalter gebeurde, wanneer het in de Nederlanden terecht kwam, en wanneer het in andere handen terechtkwam. Er is echter wel voldoende informatie om een aantal hypotheses op te stellen.

Mary Talbott

Uit geen enkel document blijkt onomstotelijk dat Arundel het Utrechts Psalter in zijn bezit heeft gehad. Het staat vast dat hij het heeft geleend en dat het handschrift in 1716 in Utrecht weer opdook. We moeten het verder doen met indirecte bewijzen. Een van die indirecte bewijzen vinden we in het Utrechts Psalter zelf, en wel op fol. 57v. Daar is een inscriptie te vinden, gemaakt met een stylus of droge stift (dus zonder inkt), van de naam ‘Mary Talbott’. Er zijn verschillende suggesties gedaan omtrent de identiteit van deze Mary.

Vier kandidates

In 1876 produceerde Walter de Gray Birch al een lijst van drie kandidates. Hij veronderstelde dat het Utrechts Psalter op de markt was gekomen met de sluiting van de kloosterbibliotheken van Canterbury rond 1540. In die periode was een verzamelaar van zeldzame handschriften actief, genaamd Robert Talbot (†1558) uit Norwich. Van hem is bekend dat hij handschriften uit Canterbury had verkregen, onder andere British Library, Cotton, Tiberius B. I. Birch redeneerde dat Mary de vrouw of dochter van Robert Talbot moet zijn geweest (Birch 1876, 103-106; Engelbregt 1965, 12, 86-87, en afb. 52 en 53).

Dit is een ingenieuze en op zich plausibele theorie. We weten echter niet of Robert Talbot wel getrouwd was of kinderen had. Hij was ook vooral geïnteresseerd in Middelengelse handschriften (Graham 1997). Birch noemt ook nog twee andere Mary Talbots, beiden behorende tot adellijke Talbots van Shrewsbury. De ene Mary is de derde dochter van Gilbert Talbot (†1542), de kleinzoon van de tweede Graaf van Shrewsbury. De andere Mary is de oudste dochter van Gilbert Talbot (†1616), de zevende Graaf van Shrewsbury, en vrouw van William Herbert (†1630), derde Graaf van Pembroke. Zijn lijst is zeker niet uitputtend, en hij besteedt verder weinig aandacht aan hen. De laatste Mary werd echter een voorname kandidate toen naderhand bleek welke rol Arundel had gespeeld als lener van het Utrechts Psalter. Zij was namelijk de zwakzinnige zuster van Arundels vrouw Alatheia Talbot, en stierf in 1649. Deze mogelijkheid werd later dan ook serieus genomen (Van der Horst & Engelbregt 1984, 61). Er zijn geen documenten overgeleverd van deze Mary, maar verondersteld mag worden dat ze haar naam zou hebben gesigneerd als Mary Pembroke.

Later werd een vierde kandidate geopperd: Mary was gerelateerd aan Thomas Talbot (fl. 1580), van wie Robert Cotton ook enige handschriften had verkregen (Van der Horst 1996, 34). Hier doet zich echter hetzelfde probleem voor als bij Robert Talbot: we weten niets van een eventuele vrouw of familielid met de naam Mary.

Alatheia’s moeder

Een optie die nog niet was genoemd was dat de Mary Talbot van de inscriptie niet de zuster maar de moeder was van Alatheia. De meisjesnaam van deze Mary Talbot was Mary Cavendish. Ze trouwde in 1568 met de al genoemde Gilbert Talbot, de zevende Graaf van Shrewsbury, en ondertekende documenten met de naam ‘Mary Talbott’. Dit blijkt onder andere uit London, Lambeth Palace Library, Ms 3197 (Talbot Papers), fol. 191r (Gilbert en Mary Talbot aan de Graaf van Shrewsbury; Goodrich, 3 januari 1576/7). Hoewel de hoofdletters M en T van de handtekening van Mary duidelijk anders zijn dan die in het Utrechts Psalter, fol. 57v, komen de andere letters zo sterk met elkaar overeen dat het waarschijnlijk is dat dit de Mary Talbot is die haar naam in het handschrift kraste. Als dit wordt geaccepteerd, dan moet Mary dit hebben gedaan tussen het begin van 1630, toen Arundel handschriften van Cotton leende, en 14 april 1632, toen ze stierf in Londen.

De missie van Arundel

Dit is wellicht een lichtpuntje in de duisternis die de lotgevallen van het Utrechts Psalter verder omhult. In 1642 begon Thomas Howard aan zijn laatste diplomatieke missie voor de Engelse koning, Karel (Charles) I. Hij bracht diens dochter Mary Henrietta naar de Nederlanden. Zij was toen tien jaar oud en was het jaar daarvoor getrouwd met Willem, de zoon van Frederik Hendrik, stadhouder van de Nederlanden. Willem zou in 1647 zijn vader opvolgen, maar stierf al drie jaar later aan de pokken. De enige zoon van het echtpaar zou later als Willem III niet alleen stadhouder van de Nederlanden worden, maar ook koning van Engeland, Schotland en Ierland, van 1672 tot 1689.

Kunstverzamelaars

In 1642 broeide het in Groot-Brittannië. Karels autocratische bestuur had hem in conflict gebracht met het parlement en het land snelde af op een burgeroorlog, die uiteindelijk in de zomer zou losbarsten. Toen op 22 februari Mary samen met haar gevolg naar de Nederlanden vertrok, waren Arundel en zijn vrouw Alatheia ook aan boord van een van de dertien schepen – waarvan er een tijdens de overtocht zou zinken. Franciscus Junius F. F. (1589-1677), sedert 1620 in dienst van Arundel als bibliothecaris en leraar van diens nakomelingen, zou in 1657 onder ede verklaren dat de gravin een aanzienlijk deel van haar persoonlijk bezit naar de Nederlanden meevoerde. Het zou zijn gegaan om minstens £100.000 in geld, zilver, juwelen, schilderijen en andere goederen.

Alatheia was een van drie dochters van Gilbert Talbot, de al genoemde zevende Graaf van Shrewsbury. Toen die in 1616 stierf, erfde ze een derde van diens aanzienlijke bezittingen. Dit stelde Arundel en Alatheia in staat om een kunstcollectie aan te leggen die haar gelijke in Europa niet kende. Arundel was vaker op diplomatieke missies geweest en had bij die gelegenheden ook vaak kunstwerken aangekocht. Maar nu leek het echtpaar andere bedoelingen te hebben en voorzagen ze een langer verblijf op het continent.

In ballingschap

Aangekomen in de Nederlanden, verzocht de Engelse koningin Henrietta Maria, die met haar dochter Mary Henrietta was meegegaan naar Den Haag, aan Arundel om zich gereed te houden voor een diplomatieke missie naar de koningin van Bohemen. Arundel en Alatheia verbleven intussen in Antwerpen, maar moesten al snel hun juwelen verpanden om geld te verkrijgen voor hun onderhoud en om hun oudste zoon te ondersteunen. Henry Frederick Howard, Lord Maltravers, was namelijk in dienst van de koning en had geld nodig om zijn waardigheid in stand te houden en wapens te kopen. Het lukte Arundel om  £54.000 bijeen te brengen.

Arundels jongste zoon, William Howard, Burggraaf (Viscount) Stafford, verbleef al sinds augustus 1641 in de Nederlanden. In april 1642 stuurde hij vanuit Den Haag een brief aan zijn ouders te Utrecht. In augustus berichtte hij vanuit Antwerpen aan zijn vader in Mechelen dat soldaten het huis van John Penneduck in Kingsbury (King berry), een koninklijk landgoed nabij Londen, totaal leeg hadden geplunderd. Dat was onrustbarend nieuws voor de koningsgezinde Arundel. Terwijl de graaf rusteloos in Antwerpen verbleef, verslechterde de positie van de koning en hen die hem steunden. In feite verbleef Arundel nu in ballingschap; hij wilde niet terugkeren naar Engeland.

Dood in Padua

Uit de schaarse correspondentie van en naar Arundel die is overgeleverd, blijkt dat in maart 1643 het Engelse Parlement de juwelen en andere kostbaarheden van Arundel, die hij bij een opzichter in bewaring had gegeven, in beslag nam. Deze moesten worden verkocht om de parlementaire troepen te financieren. De Arundels kwamen deze tegenslag echter te boven. In september 1643 deed Stafford in Amsterdam alweer pogingen om kostbaarheden te kopen – het was dus business as usual . Hierna zwijgen de bronnen, totdat Arundel in juli 1645 opduikt in Padua, waar hij verbleef als onderdeel van zijn Grand Tour door Italië – ook al een kostbare onderneming. Hij verbleef lange tijd in Padua, waar hij ernstig ziek werd, en in september 1646 stierf hij uiteindelijk in de Italiaanse stad. Zijn testament stipuleerde dat zijn vrouw zijn enige erfgenaam was. Zijn zoon Henry zorgde ervoor dat het stoffelijk overschot te Arundel Castle in Sussex begraven werd.

Het Utrechts Psalter te Antwerpen?

Uit de correspondentie van Arundel en verwante bronnen (zie Hervey 1921) blijkt niet wanneer Arundel en Alatheia het belangrijkste deel van hun kunstverzameling lieten overkomen. Verondersteld mag worden dat dat in de tweede helft van 1642 of het begin van 1643 was. We weten dat niet de hele verzameling werd meegenomen; een deel bleef achter in Arundel Castle (Springell 1963, 109-110). De kostbaarheden waarop in maart 1643 beslag werd gelegd, behoorden waarschijnlijk tot wat nog restte. In 1643 wordt er in Antwerpen een gedicht van Lucas Lancelottus gepubliceerd, waarin de kunstcollectie van Arundel wordt geroemd. Deze was al beroemd, maar wekte bij aanschouwing een nog grotere bewondering op. De schilders Rubens en Titiaan worden bij naam genoemd (Weijtens 1971, 33-35, 40 n. 56, afb. I-III). Hieruit mag worden opgemaakt dat de dichter de collectie zelf in Antwerpen had gezien.

We mogen aannemen dat het Utrechts Psalter zich ook in Antwerpen bevond, alsmede ook de Cotton Genesis (zie hfst. 11), al ontbreken hier harde bewijzen voor. Junius wordt in 1644 in Antwerpen belast met de inventarisatie van Arundels bibliotheek. Het Utrechts Psalter en de Cotton Genesis trof hij daarin echter niet aan. In 1656 zou hij in een brief verklaren dat hij het handschrift dat wij nu kennen als de Cotton Genesis in Engeland gezien had, maar alleen via de hulp van Arundels zaakgelastigde William Petty. Desgevraagd kon hij zich een Latijns psalter met tekeningen volgens Romeinse traditie, dat ook door Arundel uit Cottons bibliotheek was geleend, niet herinneren. Het lijkt erop dat de Arundels beide handschriften apart hielden van hun gewone bibliotheek – wellicht omdat beide opzichtig versierd waren met een band met Cottons familiewapen erop.

Alatheia’s omzwervingen

Na de dood van haar man vertrok Alatheia uit Antwerpen en streek neer in Alkmaar, waar Junius nogmaals de boekencollectie op orde moest brengen en aanwinsten moest invoegen. Hij verklaarde later dat Alatheia zich zorgen maakte dat er beslag zou worden gelegd op haar kunstschatten. Ze had een kistje aan haar bed geketend met voldoende krediet mocht dat gebeuren. In het voorjaar van 1649 treffen we Alatheia in Amersfoort aan, waar ze enkele jaren zou verblijven samen met haar gevolg. Daaronder bevond zich ook de Duitse schilder Henrick van der Borcht, die haar kunstcollectie beheerde.

Onderwijl reisde haar zoon William, Burggraaf Stafford, heen en weer naar Engeland en trok al geldverkwistend rond in Europa, hoewel er in 1649 beslag op zijn landgoederen was gelegd vanwege zijn koningsgezindheid. In 1649 en 1650 was hij in Italië, van waaruit hij kunstvoorwerpen die zijn vader had gekocht, naar Amersfoort stuurde. Na een verblijf aan het keizerlijk hof te Wenen reisde hij in de zomer van 1652 door Duitsland. Wellicht had hem het nieuws bereikt dat zijn oudere broer Henry Frederick, sinds 1646 Graaf van Arundel, in april was gestorven. William werd echter in de Palts in het kasteel van Zwingenberg aan de Neckar gevangen gezet. Zelfs onder foltering hield hij vol onschuldig te zijn van een misdrijf tegen de zeden waarvan hij werd beschuldigd. Maar pas een jaar later zou hij met hulp van Junius weer vrij komen.

Schuldeisers

Alatheia bevond zich intussen in een benarde positie. Eerder had Henry Frederick al tegen haar geprocedeerd om zijn vaders testament – en dus Alatheia’s positie als enige erfgename – aan te vechten. Ook Henry’s zonen klopten nu bij haar aan om geld om zo schuldeisers te kunnen betalen. En dat terwijl de landgoederen van Arundel nog steeds in beslag waren genomen door het Engelse Parlement. Alatheia had dus wel veel kunstschatten maar waarschijnlijk geen of weinig inkomsten of liquide middelen. Of ze daardoor gedwongen was om kunstvoorwerpen te verkopen is echter onduidelijk. Dat ze dat al in Antwerpen had gedaan wordt wel beweerd (Weijtens 1971, 19 en noot 112; Van der Horst 1996, 35), maar dit stoelt enkel op een passage waarin de graaf op zijn ziekbed in Padua het heeft over ‘the unkindnesse of his Countesse, now in Holland’.

In november 1653 kwam William eindelijk in Amsterdam aan, waar zijn moeder eerst een huis aan de Herengracht had betrokken en daarna aan de Singel. Haar huis in Amersfoort hield ze echter ook aan. Op 3 juni 1654 stierf Alatheia, inmiddels bijna 70 jaar oud, te Amsterdam. Direct erna begon de strijd om haar nalatenschap tussen de jongste zonen van Henry Frederick en hun oom, William, Burggraaf Stafford. Junius eiste tussendoor ook nog eens een achterstallig salaris van £1200 op.

Veilingen

Waar wordt geprocedeerd, wordt papier geproduceerd. Uit de ambtelijke stukken blijkt dat er na beslaglegging van de goederen van wijlen Alatheia werd geïnventariseerd en getaxeerd. Het getouwtrek over wie waar recht op had kon beginnen. In januari 1655 werd in Amersfoort een lijst met daarop zeventig kunstvoorwerpen gemaakt, in Amsterdam werd later dat jaar een lijst samengesteld, inclusief de objecten op de eerste lijst, van bijna achthonderd kunstvoorwerpen, voornamelijk schilderijen. Het bevat een reeks namen die iedere kunstliefhebber doet watertanden. Een kopie ervan, opgesteld in het Italiaans, werd pas in 1911 ontdekt.

De Amersfoortse stukken werden in februari 1655 ondergebracht in het huis van de procureur-generaal van het Hof van Utrecht, Everard van Weede, heer van Dijckveld en Rateles. Pas in de herfst van 1662 werd deze collectie ‘toebehoort hebbende Syn Exselentsye Vycontte de Staffoort’, in opdracht van Van Weede geveild. Schilder Herman Saftleven was veilingmeester. Nergens in de stukken worden er handschriften of boeken genoemd.

Stafford was ondertussen ook geen onbekende in Utrecht. In januari 1656 werd hij enige weken vastgezet, waarschijnlijk op instigatie van zijn schuldeiser kolonel Henry Crowe. In maart 1657 werden in Amsterdam en in Utrecht schilderijen en porselein van Stafford geveild; de burggraaf zelf logeerde in die tijd ook in Utrecht. Uit 1658 en 1661 zijn stukken overgeleverd die aangeven dat goederen, meubels en huisraad van Stafford werden opgeëist door zijn neef Henry Howard, maar onduidelijk is of die vordering succes had.

Stafford en de Cotton Genesis

Stafford bleek uiteindelijk vrij succesvol te zijn in het verkrijgen van een deel van zijn ouders’ erfenis en hij verkreeg ook de Cotton Genesis uit zijn moeders inboedel – en dus waarschijnlijk ook het Utrechts Psalter, als zij die in haar bezit had gehouden. In 1660 keerde koning Karel II terug naar Engeland, en de koningsgezinde Stafford volgde hem nog hetzelfde jaar. De Howards waren bekend om hun katholieke achtergrond en dit bracht ook Stafford in de problemen. In 1678 werd hij in verband gebracht met een katholieke samenzwering tegen de koning. Alhoewel de beschuldiging rammelde, was hij de ideale zondebok en zodoende eindigde Staffords leven twee jaar later op het schavot.

We weten dat Stafford de Cotton Genesis – door zijn vader samen met het Utrechts Psalter geleend van Robert Cotton – in 1656 in zijn bezit had. Stafford had dat in ieder geval aan Junius’ oom Isaac Vossius beweerd, al weigerde hij om het handschrift te laten zien. Eerder was het al door Van der Borcht gezien in Alatheia’s collectie. In 1683 beweerde Staffords weduwe Mary dat het handschrift tot de erfenis van Arundel behoorde en in de jaren 1690 kocht Robert Cottons kleinzoon John het van haar voor £40. Het kwam uiteindelijk terecht in de bibliotheek van Ashburnham House – een naam die vraagt om moeilijkheden – en daar werd het vrijwel geheel verbrand in de vuurzee van 1731 die zoveel handschriften daar verwoestte.

De verkoop van het Utrechts Psalter

Dit lot bleef het Utrechts Psalter gelukkig bespaard. We mogen aannemen dat het psalter in 1642 of 1643 naar Antwerpen was verscheept en dat het na Arundels dood in 1646 net als de Cotton Genesis tot Alatheia’s bezittingen behoorde. Er zijn geen directe aanwijzingen dat Alatheia delen van haar kunstverzameling of bibliotheek had verkocht om aan geld te komen, en betwijfeld mag worden of ze het Utrechts Psalter om die reden van de hand deed. Dit zou ook niet stroken met haar karakter en stand. Het is zeker mogelijk dat het psalter nog in haar bezit was toen ze in 1654 stierf.

Naderhand zou het psalter, net zoals de Cotton Genesis, in handen zijn gekomen van haar zoon William. Tussen alle processen, inbeslagnames en boze schuldeisers zou Stafford minder problemen hebben gehad met de verkoop van objecten uit zijn moeders inboedel. We weten dat delen van zijn bezit, inclusief schilderijen en porselein die hij van zijn moeder had geërfd, uiteindelijk in 1657 en 1662 in Utrecht onder de veilinghamer werden gebracht, op last van zijn schuldeisers. Het kan zeer goed zijn dat het Utrecht Psalter in deze roerige periode van de meer beroemde Cotton Genesis gescheiden werd en zodoende een Nederlandse eigenaar kreeg. En daarna, mogen we veronderstellen, kwam het in handen van Willem de Ridder, die het in 1716 aan de bibliotheek van de Universiteit Utrecht schonk (zie hfst. 14).

Verder lezen

J. H. A. Engelbregt, Het Utrechts Psalterium. Een eeuw wetenschappelijke bestudering (1860-1960) (Utrecht 1965).

Walter de Gray Birch, The history, art and palaeography of the manuscript styled the Utrecht Psalter (London 1876).

Timothy Graham, 'Robert Talbot's "Old Saxonice Bede": Cambridge University Library MS Kk. 3. 18 and the "Alphabetum Norwagicum" of British Library, Cotton MS Domitian A. IX', in Books and Collectors 1200-1700, ed. James C. Carley & Colin G.C Tite (London 1997), pp. 295-316.

Mary F. S. Hervey, The life, correspondence and collections of Thomas Howard, Earl of Arundel (Cambridge 1921; repr. New York 1969), pp. 436-455, 459-460 (testament), 473-500 (inventaris).

Koert van der Horst, ‘The Utrecht Psalter: picturing the psalms of David’, in The Utrecht Psalter in medieval art: picturing the psalms of David, eds. K. van der Horst, W. Noel & W. C. M. Wüstefeld (’t Goy 1996), p. 22-84, vooral p. 34-36.

Koert van der Horst & Jacobus H. A. Engelbregt, Utrecht Psalter. Vollständige Faksimile-Ausgabe  […]: Kommentar (Graz 1984).

Francis C. Springell, Connoisseur and diplomat. The Earl of Arundel’s embassy to Germany in 1636 as recounted in William Crowne’s diary, the Earl’s letters and other contemporary sources with a catalogue of the topographical drawings made on the journey by Wenceslaus Hollar (Londen 1963).

F. H. C. Weijtens, De Arundel-Collectie. Commencement de la fin Amersfoort 1655 (Utrecht 1971).